Op missie in Centraal-Afrika

De Feestdagen komen er weer aan. Minder leuk voor ons, piloten, is dat dit gepaard gaat met slechts weinig uren tussen SR en SS. De lange avonden kan je dan maar beter doorbrengen met een goed boek. In "Op Missie in Centraal-Afrika"  vertelt Hans Swellengrebel zijn belevenissen als 'Piloot zonder Grenzen'. De opbrengsten van het boek gaan trouwens integraal naar deze organisatie. Hét ideale Kerstcadeau dus voor een piloot!

Geïnteresseerd om het te kopen? Je kan het online bestellen via deze link, of als je de verzendkosten wil uitsparen kan je het vanaf begin december kopen in de pilot shop op de luchthaven van Antwerpen (Vermeiren Aviation: 03 449 13 81 of 0498 61 68 00).

Als voorproefje brengen we je de inleiding en een hoofdstuk uit het boek. 

Win dit boek!

Dankzij Vermeiren Aviation, de pilot shop op Antwerp Airport, mogen we een exemplaar van dit boek weggeven. Stuur ons voor 31 december een mailtje met je leukste, spannendste, meest interessante vliegbelevenis van 2008, en misschien belandt dit boek kort na Nieuwjaar in je brievenbus (vergeet dus niet om een correct e-mailadres op te geven om je te contacteren)

Inleiding

Mijn ene grootvader was zendingsarts en mijn andere grootvader deed onderzoek naar malaria in de meest onwaarschijnlijke uithoeken van de wereld. Mijn vader en moeder deden ook hun best om in exotische plaatsen te werken en te wonen. Mijn zus en mijn broer waren niet anders. Ik was de witte raaf in het gezin: ik kon in Nederland mijn ei wél kwijt en vond Frankrijk als vakantieland al best ver.

Ik had een andere passie: ‘vliegen’. Ik heb geprobeerd in de beroepsvliegerij terecht te komen, maar het ontbreekt mij ten enen male aan zitvlees. De eindeloze uren van verveling in een verkeersvliegtuig kan ik niet hebben.

Toen deed zich een gelegenheid voor om in Nieuw-Guinea voor de katholieke missie te gaan vliegen. Dat was voor mijn doen natuurlijk een behoorlijk eind weg, maar omdat ik er kon vliegen op een manier die mij het meest bekoort, nam ik de bijkomende problemen (angst voor onbekende verten) graag voor lief. Bovendien bleken die alleen in mijn beleving te bestaan.

Als bonus kwam er ineens ook een maatschappelijk relevant bestaan bij, dat ik niet eerder kende. Mijn werk in Nederland stond vooral in het teken van geld verdienen. In Nieuw-Guinea waren de verdiensten niet om over naar huis te schrijven, maar de feelgood factor lag ver boven het gemiddelde.

Helaas kwam er een ontijdig einde aan dit avontuur. Enerzijds waren de omstandigheden een beetje té uitdagend voor mij - ik was alleen de kilometers asfalt in Amerika gewend, anderzijds ging - door een motorongeluk - mijn jongensdroom in gruzelementen. Ik heb dat nooit kunnen verkroppen. Het was onvoltooid; een open einde. Het liet me niet los, en dat kwam mijn werk in Nederland niet ten goede. Maar, ik wist me te handhaven. Soms ontving ik een blaadje van PzG (Piloten zonder Grenzen) en dan was ik weer aan het watertanden. Ik hield mijn brevet geldig voor het geval dat…

In het jaar 2000 was het bijna raak. Ik zou voor een jaar naar Centraal-Afrika gaan. Ik had mijn baan zelfs al opgezegd, toen er te elfder ure een spaak in het wiel kwam. Gelukkig kreeg ik mijn baan terug. In juni 2005 ontstond er weer een kans om naar Centraal-Afrika te gaan en deze keer lukte het wel.
Wat ik in Afrika meemaakte, heb ik vooral vanuit verwondering beschreven. Het was alsof ik de dingen daar scherper zag. Alsof ze dieper binnendrongen. Een niveau van beleven dat ik in Nederland maar zelden had meegemaakt. Ik had behoefte deze belevenissen te verwerken door ze op te schrijven. Dat heeft voor mij goed gewerkt en bovendien kon het thuisfront zo met mij meeleven.

Voor deze hele ervaring ben ik in de eerste plaats dank verschuldigd aan mijn wederhelft Hanneke Vink en ook aan mijn zoon Daniël Swellengrebel - 7 jaar. Zij hebben mij niet alleen laten gaan, zij hebben mij – in het gaan – ook gesteund. Zonder hun steun was het zover niet gekomen.

Verder ben ik veel dank verschuldigd aan Albertine Verwey en Marc Ket, die mij vanuit PZG met raad en daad hebben bijgestaan. Zonder Albertine was ik nooit in de Centraal Afrikaanse Republiek terecht gekomen. Ook ben ik blij met de velen die dit werk beoordeelden, zodat het rijp voor publicatie werd. Als laatste wil ik graag mijn werkgever Centric noemen, die mij zeven maanden onbetaald verlof gunde.

Een unieke levenservaring om samen met Papa in Afrika te verblijven en te vliegen!

Van een evacuatie en een verdwenen vliegveld...

20 februari 2006

Vrijdagavond om 22:30 uur werd ik gebeld. AZG wilde dat ik zaterdag voor hen zou vliegen. Ik was enigszins geërgerd door het late tijdstip. Maar ze zeiden dat het om een of andere noodsituatie ging en we kwamen overeen dat ik om 06:00 uur met twee mensen van AZG naar M’Boki zou vliegen.

De volgende morgen bleek dat alles wat vleugels had naar M’Boki ging om iedereen daar weg te halen. Gaandeweg de dag werd duidelijk dat men al vijf dagen een groep van honderdvijftig Oegandezen van de Lord’s Resistance Army in de gaten hield, die kennelijk van plan waren de mensen van de UNHCR – die ook in M’Boki zitten – een kopje kleiner te maken. Het schijnen nogal ongenuanceerde types te zijn, die met een machete net zo goed overweg kunnen als met een kalashnikov. Ze hadden in Zaïre al een spoor van dood en vernieling achtergelaten, waarbij ze speciaal de mensen van de UN op de korrel leken te hebben. Nu kwamen ze te dichtbij M’Boki. De UNHCR had besloten tot de evacuatie en AZG wilde niet achterblijven. Ik nam twee mensen van AZG mee, die de aftocht zouden coördineren en als laatsten het schip zouden verlaten. Samen met de Cessna-182 van AsF (Aviation sans Frontières) vloog ik naar M’Boki.

De jeeps van Artsen zonder Grenzen doen hun werk op de aarden wegen, maar voor snelle verplaatsingen is het vliegtuig toch de enige manier.

Ter hoogte van Kouango begon tot mijn grote verdriet mijn motor weer te hoesten en besloten we om naar Kouango uit te wijken. Daar nam ASF mijn passagiers over en vertrok weer op weg naar M’Boki. Toen ik mijn motor uitprobeerde bleek hij het weer voorbeeldig te doen, zodat ik besloot om naar Bangui terug te vliegen. Onderweg dacht ik natuurlijk na wat er nú weer de oorzaak van kon zijn, dat de motor weer kuren vertoonde. Dichtbij Bangui begon de motor weer te hoesten en het feit dat hij nu ook op de rechtermagneet kuren leek te hebben, deed me denken aan slechte bougies. Gelukkig had ik kortgeleden een doos nieuwe bougies gekregen en we hebben ze allemaal vervangen. Daarna liep de motor weer voorbeeldig en zo ging ik om 11:00 uur opnieuw op weg naar M’Boki.

Deze keer verliep de reis voorspoedig. Ik had contact met Obo – een plaats waar de rebellen eerder langs zouden moeten komen – en daar hadden ze nog niks gezien, dus hoefde ik me er ook geen zorgen over te maken dat ik zelf gevaar zou lopen.

Op M’Boki hadden ze deze keer geen brandstof, dus moest ik – met vier AZG’ers – naar Zemio, waar wel brandstof was. Vervolgens was het natuurlijk al te laat om met daglicht op Bangui aan te komen, maar goed, op Bangui kan je ook in de nacht terecht.

Deze missiezuster is slechts één van de vele passagiers die Hans in z'n vliegtuig heeft gehad.

Ik had het langzamerhand wel zo’n beetje gehad en Bangassou lag nog wel binnen bereik. Ik riep dus Bangassou op en tot mijn verbazing antwoordde père Theo direct. Natuurlijk waren we van harte welkom en even later zat ik genoeglijk aan een glas heerlijke whisky nippend te vertellen van mijn wederwaardigheden van die dag. Père Theo merkte terloops op, dat het eigenlijk wel een wonder was, dat hij geantwoord had. Het gewone radio-uurtje is van 15:00 uur tot 15:30 uur en hij was vergeten hem uit te zetten. Vervolgens was hij om 16:15 uur – toen ik hem opriep – toevallig in de buurt geweest. Zodoende.

De volgende dag – zondag - kwamen we zonder verdere voorvallen mooi voor de lunch in Bangui aan. Ik zat net aan het dessert, toen mijn telefoon ging. Het was Dialo van Minair. Of ik hem alsjeblieft uit de brand kon helpen. Er moesten twee jagers naar Bohoe en er moesten vier jagers terug naar Bangui, die diezelfde avond het vliegtuig van Air France moesten halen. Dit was natuurlijk een zuiver commerciële operatie en daar had ik dus wel moeite mee, want wij mogen niet commercieel vliegen. Dialo verzekerde me, dat hij me niet in moeilijkheden zou brengen en van père Ben had ik toestemming om in voorkomende gevallen dergelijke acties uit te voeren, dus ik ging akkoord.

Ik had natuurlijk geen idee waar Bohoe lag en ik kon ook de coördinaten ervan niet vinden. Dialo had gezegd dat het vlak naast Sangba lag, en de coördinaten van dat veld waren mij wel bekend. Vervolgens kwam Dialo met de coördinaten van Bohoe, dus was het verder een gespreid bedje. De twee jagers waren Amerikanen uit Austin, Texas. Het waren aardige mannen, maar wel heel moe, want ze waren al vanaf vrijdag onderweg.

De startbaan ligt er vandaag prima bij... euh...

De reis verliep voorspoedig, maar het duurde wel een hele poos, want Bohoe ligt op 260 mijl van Bangui. Alles bij elkaar kwamen we zo’n drie kwartier voor zonsondergang bij Bohoe aan. De terugweg zou dus geheel in het duister verlopen. Echter, heb je er weleens bij stil gestaan wat er gebeurt als het puntje bij het paaltje komt en er blijkt helemaal geen paaltje te zijn?

Dat is wat ons gebeurde. We kwamen op het opgegeven punt aan en er was geen strip. In de verste verte niet. Op 10 mijl afstand lag nu Sangba, dus besloten we om daar de weg te vragen. Het verging me als die Belgische parachutist, die verteld is dat hij aan het gele koordje moet trekken om de parachute te laten ontplooien. Als dat niet lukt, moet hij aan het rode koordje trekken voor de reserve parachute. Na de landing zou hij een fiets aantreffen, waarmee hij weer naar het vliegveld zou kunnen terugfietsen. De parachute ging niet open, evenmin als de reserveparachute. Ah wel, dacht de Belg, dan zal die fiets er ook wel niet staan.

Maar zie, Sangba lag op het afgesproken punt in de late avondzon te bakken en zo konden we dus de weg vragen. Ze hadden helaas niet de coördinaten, maar ze wezen ons wel de richting aan. Wij weer hoopvol op weg, maar al wat we vonden, geen vliegveld. Juist voor donker raakten de wielen van onze Cessna de veilige aarde van Sangba. Daar bleek juist een auto te zijn, die naar Bohoe zou gaan, zodat de twee jagers in elk geval zouden aankomen op Bohoe. De vier anderen hadden gewoon vette pech.

Ik bleek op een Ecovac-veld te zijn geland. Ecovac houdt zich bezig met de bescherming van de fauna tegen stropers. Hier hingen overal trofeeën aan de muur. Geen indrukwekkende geweien, maar zadels van stropers. Zoals ik al eerder schreef, proberen de Ecovac’ers de mensen te ontzien, maar schieten ze op het vervoer: paarden en kamelen. Het schijnen soms wel hachelijke toestanden te zijn. Ze moeten met veertig man een gebied beschermen, zo groot als half Nederland. Ze staan dan soms tegenover troepen van vijftig stropers, die allemaal beter bewapend zijn dan de Ecovac’ers. Het voordeel van de Ecovac’ers is dat ze het terrein goed kennen.

Ook de Ecovac’ers hebben te maken met het probleem van uitblijvende salarissen, terwijl ook de beloofde subsidie van de EU al acht maanden op zich laat wachten. Toch zijn ze nog goed bezig, want ze hebben de bewoners van het gebied zover, dat die inzien dat er bij goed beheer meer te halen valt dan bij strooppartijen. De lokalen doen dus nu niet meer mee met stropen. Ze helpen mee met de bescherming en ze varen er wel bij: ze krijgen het vlees van het – door de jagers geschoten – wild. De jagers nemen alleen de trofeeën mee naar huis. Bovendien leggen die jagers astronomische bedragen neer voor twee weekjes knallen en de lokale bewoners krijgen daarvan eerlijk hun deel.

De chef van Ecovac ontving mij heel hartelijk in zijn huis en trakteerde me op phacochère, een wild (wratten)zwijn, en patates frites. Na de maaltijd wees hij me mijn slaapsalet: een afgelegen huisje in het bos. Natuurlijk belde ik even naar Bangui, dat ze zich geen zorgen hoefden te maken. Na nog even mijn boek uitgelezen te hebben, kroop ik in een prima bed met idem klamboe.

Ik voelde me niet helemaal op mijn gemak. Het was om te beginnen natuurlijk aardedonker. Bovendien ben ik in Nederland in een dergelijke situatie – eenzaam huisje in het bos – al eens ’s nachts overvallen en zoiets gaat je niet in je kouwe kleren zitten. Maar goed, ik vond dat ik me geen zorgen hoefde te maken en ik sprak mezelf dan ook geruststellend toe.

Overal waar de vliegtuigjes landen stroomt een enthousiaste menigte toe

Vervolgens hoorde ik onder mijn raam – ik sliep op de begane grond – een geluid als van een beest. Ik maakte me geen enkele zorgen, totdat het beest een zucht slaakte. Alsof je een zucht slaakt in een kathedraal. Je hoorde het haast galmen. Ik had nog maar één beest meegemaakt met zulk een klankkast. Ik hoefde niet lang op bevestiging te wachten. Er liep in het bos iets of iemand naderbij en het beest gaf me toch een brul. Het kwam uit zijn tenen en het galmde in- en uitwendig: een leeuw. Een echte leeuw. En ik had net nog daar buiten staan bellen. Ik schrok me rot. Ik hoefde nu in elk geval niet meer bang te zijn voor ongenode gasten, maar heel erg lekker lag ik toch ook niet. De hele nacht bleef hij onder mijn raam galmend reutelen en zuchten en ik heb geen oog dicht gedaan. ’s Morgens bleek hij vertrokken.

De volgende dag konden ze me de coördinaten geven van Bohoe. Het bleek een mijl of vijf verwijderd te liggen ten opzichte van het opgegeven punt. Om half zeven ging ik omhoog en twaalf minuten later stond ik op Bohoe uit te leggen waarom ik er nu pas was. Met de passagiers, die hun aansluiting hadden gemist, togen we huiswaarts: volgende week beter.

Na aankomst in Bangui werd ik bij de toren ontboden. Ik had gisteren namelijk tegen de verkeersleiding in Brazzaville gezegd dat ik Bohoe in beeld had. Waarna Bohoe veranderde in een zandplek in plaats van een vliegveld. Daarna was ik te druk geweest met zoeken om nog contact te leggen met Brazzaville - hoofdstad van Congo, controleert onder andere het luchtruim van de CAR. Later had Bohoe Bangui gebeld om te vragen waar ik bleef, waarop Bangui onthutst antwoordde dat ik op Bohoe geland was. Niet dus. Waar was Hans gebleven? Paniek.

Ik had naar St. Charles gebeld met het verzoek mijn verblijfplaats ook even door te geven aan de bevoegde instanties. En dat was dus niet gebeurd...

Op Bangui stond weer een wanhopige Dialo. Of ik alsjeblieft nog een keertje... Eerst naar Bamingui en daarna naar Sangba en dan leeg terug. Dat kwam goed uit, want ik moest eigenlijk ook Helmut en Kalil uit Mobaye ophalen. En zo stonden we tien minuten voor zonsondergang weer in Bangui.

Het waren drie heftige dagen geweest. Drie dagen lang in dezelfde kleren... Jakkes.

Genoeg plaatselijke 'Couleur Local''

0